Ik ken je gelui­den in dit huis nog niet.
Er klopt iets in mijn oog­hol­tes dus het is me nog steeds niet gelukt
het vuil­nis bui­ten te zet­ten.
Voor mijn ogen ver­schijnt steeds het beeld van ron­de gekook­te
wor­tel­tjes uit de mag­ne­tron die weg­rol­len onder mijn vork.
Je doet de afwas lang­zaam.

Ik mis het geluid van een inbel­ver­bin­ding.
Dat heb ik wel eens op You­Tu­be gehoord.
Nog een beeld: mijn moe­der die haar Oxa­ze­pam­me­tjes met een
aard­ap­pel­schil­mes­je in kwart­jes snijdt omdat ze anders haar kreu­pe­le
hond niet naar het strand kan rij­den.
Mijn vader die mijn han­den pakt en hui­lend zegt hoe­veel
pijn het hem doet om me nog­maals in de steek te laten.

Wat is de ety­mo­lo­gi­sche ver­want­schap van leed en ledig?
De vol­gen­de keer dat je weg­gaat zon­der te zeg­gen waar je
heen­gaat hoef je niet meer terug te komen.

Mijn ex belt van­uit Mary­land. Dat ik mijn anti­de­pres­si­va
wel moet slik­ken. Dat de her­tjes daar aan mij doen den­ken.
“But I’m wil­ling to bet my own life, at least metap­ho­ri­cally,
that you will come out­ta this even bet­ter than befo­re. Real­ly,
lief­fie, you’re gon­na get the­re.”

In afwach­ting van het ein­de van je afwe­zig­heid vul ik het gat in de
muur in de vorm van je voor­hoofd met struc­tuur­ala­bas­ti­ne
sier­pleis­ter­vul­ler.
Ik dacht dat je nu wel thuis zou zijn.